Het romantische beeld van de kunstenaar-bohemien, dat in de 19de eeuw werdgeconcipieerd en aan de basis ligt van het autonome kunstenaarschap, heeft delaatste decennia zijn verbeeldingskracht verloren. Onderzoeksrapporten enboeken die ingaan op de beroepspraktijk van beeldend kunstenaars signaleren ‘cross-overs’ (Markusen, Gilmore e.a., 2006) of schetsen een beeld van dekunstenaar als ‘artiste pluriel’ (Bureau, Perrenoud, e.a., 2009). Dat kunstenaarshun artistieke praktijk vaak combineren met andere werkzaamheden zoalsdoceren of met een baantje in de horeca, is een oud gegeven. Aangezien slechtseen kleine groep van zijn of haar beeldende werk kan leven, dienen andereinkomenstenbronnen te worden aangesproken. Wat nieuw zou zijn is echter datkunstenaars vanaf het postindustriële tijdperk steeds vaker een alternatiefberoepsinkomen vinden in de culturele en de creatieve industrie. Van belang is datze niet toevallig terecht komen in deze laatste, sterk groeiende bedrijfstak. Zezouden daar worden aangesproken op hun artistieke en creatieve capaciteiten. Decentrale hypothese van dit onderzoek luidt dan ook dat een microsociologischfenomeen, met name de hybridisering van een beroepspraktijk, in de pas loopt meteen macrosociologisch/economisch fenomeen, te weten de opkomst van decultuur- en creatieve industrie